Toen de Zoon van God, Jezus Christus, op aarde kwam had Hij niet de macht en heerlijkheid die Hij bij de Vader in de hemel bezat. Het paste in Gods plan dat Zijn Zoon deel zou hebben aan deze gebroken wereld vol van lijden en vernederingen en juist ook om haar uiteindelijk deel te laten hebben aan de heerlijkheid van de Zoon (Hebr. 2:9-11,14,15 en I Kor. 2:8). Dit deel hebben aan de vernederingen begon al bij Zijn geboorte in de stal van Bethlehem en eindigde bij de wrede dood aan het kruis.
Dit alles staat in een schil contrast met Jezus wederkomst in het duizendjarig vrederijk, aan het eind der tijden als Jezus zal resideren te Jeruzalem en over alle volkeren zal regeren. Dan zal Hij komen in volle macht en heerlijkheid van de Vader en alles (de levende en dode natuur) zal Hem dan onderworpen zijn (Matt. 24:30). Dit contrast tussen Zijn eerste komst op aarde in vernedering (Hebr. 2:9,10) en Zijn tweede komst in kracht en heerlijkheid zien we mooi geïllustreerd in het verschil tussen ‘onze’ Tabernakel (tent) waar wij het nu over hebben en de latere permanente tempel te Jeruzalem die Salomo bouwde. Deze latere tempel was niet alleen vol pracht van binnen zoals de tabernakeltent in de woestijn, maar ook de buitenkant straalde pracht en rijkdom uit. De buitenkant van de (tabernakel) tent waar God in mee trok door de woestijn was echter even grauw als alle andere tenten waar het Joodse volk in woonde. Evenals het volk had deze woonplaats van God geen vaste verblijfplaats en stond het eenvoudig zonder vloer in het woestijnzand. Zo ook met Jezus Christus toen Hij in Israël het volk onderwees. Aan niets van Zijn uiterlijk kon men zien dat Hij de Zoon van God is. Door Zijn daden vermoeden veel mensen wel dat Hij iets bijzonders was, maar van uit zichzelf kan de mens geen zekerheid krijgen. Een openbaring van God blijft nodig zoals bij Petrus in Matt. 16:17. Daarom lezen we in Joh. 10:24 hoe de mensen aan Jezus vragen: “Hoe lang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit.” Maar met een eenvoudig “ja” zijn we niet gebaad. We zouden direct opnieuw twijfelen. Jezus had hen bij een andere gelegenheid al gezegd dat alleen God het ware geloof kan geven (Joh. 6:44, Ef. 2:8). Maar men leefde te ver van God om het in vertrouwen van Hem te verwachten. Voor verreweg de meeste mensen was de Zoon van God toen nog ‘incognito’ net als voor veel mensen in onze tijd. Het grote struikelblok was toen dat men nog helemaal moest wennen aan de gedachte dat de persoon die zo gewoon rondliep door Israël niet alleen een mens (stoffelijk) was, maar ook waarachtig God is (eeuwig en volmaakt). Toch leert het O.T. dit al op verschillende plaatsen.
In Micha 5:1 lezen we dat uit Bethlehem, de stad van koning David, een Persoon voort zou komen wiens oorsprong is van de dagen der eeuwigheid. In Jes. 9:5 lezen < we dat eenmaal een Kind geboren zou worden waar o.a. van gezegd wordt dat Hij Sterke God en Eeuwige Vader is. En in Jes. 53:2,3,9,11 lezen we dat een voor het oog wel heel gewoon mens toch uitblinkt in volmaaktheid en een extreem grote invloed zou hebben in het leven van veel mensen en hen de zelfde volmaaktheid zou geven die Hij bezit. Tevens zal Hij uit de dood opstaan en een lang (hier eeuwig) leven hebben.
Deze ‘tweeslachtigheid’ vinden wij ook terug in de tabernakel. En dit niet alleen in de hierboven genoemde uiterlijke soberheid tegenover de inwendige rijkdom. Op de gouden 7 armige kandelaar na waren alle voorwerpen in de tent en ook de wanden zelf opgebouwd uit twee stoffen die dit contrast prachtig illustreren. Aan de ene kant bestond de toonbroden tafel, reukofferaltaar, de ark en de wanden van de tent uit acaciahout (= gegroeid uit de aarde d.w.z. van deze wereld en dus vergankelijk), terwijl aan de andere kant het geheel overdekt was door louter goud (goud is in de Bijbel meestal het symbool van goddelijke heerlijkheid en dus niet van deze wereld, zie I Kor. 3:12 en Opb. 3:18; 21:18,21). Wij kunnen dit o.a. lezen in Ex. 25:10,11,13,23,24,28. Deze twee heel verschillende werelden heeft iedere wedergeboren christen in zich. In II Kor. 4:6,7 lezen we dan ook: “God heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus. Maar wij hebben deze schat in aarden vaten.” En in I Cor. 6:19 lezen we: “Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij (bij de wedergeboorte) van God ontvangen hebt.